PRAKTISCHE UITLEG
Lees van boven naar beneden of spring direct naar wat je nodig hebt.
EEN EIGEN DOEL
Oefen iets dat de jongere zelf belangrijk vindt.
Een sociaal doel hoeft niet te betekenen dat iemand vaker in groepen moet zijn. Misschien wil de jongere een vraag durven stellen, een afspraak verduidelijken of rustig aangeven dat hij wil stoppen. Begin bij die wens.
Bespreek ook welke situatie geschikt is om te oefenen. Een vertrouwde omgeving kan een ander soort eerste stap bieden dan een onbekende groep. Er wordt geen succes beloofd voordat de situatie duidelijk is.

VOORBEREIDEN
Eén zin kan genoeg zijn.
Samen kun je een korte openingszin of vraag bedenken. Laat de jongere woorden kiezen die bij hem passen. Een uit het hoofd geleerd script dat onnatuurlijk voelt is niet altijd bruikbaar.
Voor een grens kan een eenvoudige zin helpen: “Dat wil ik niet” of “Ik wil even pauze.” Bespreek daarnaast wat de jongere kan doen als de ander niet luistert. De omgeving heeft ook verantwoordelijkheid.
PROBEREN
Een oefening hoeft niet perfect te verlopen.
Let op wat daadwerkelijk is geprobeerd. De vraag stellen kan al het oefendoel zijn, ook als het antwoord kort is. Het gedrag of de reactie van een ander ligt niet volledig in de hand van de jongere.
Een oefening wordt niet gebruikt om iemand onder druk te zetten. Als de situatie niet veilig of passend voelt, kan eerst worden besproken wat nodig is voordat een volgende stap wordt gezet.
TERUGKIJKEN
Feiten en invullingen uit elkaar houden.
Wat is er letterlijk gezegd? Wat zag de jongere? En welke betekenis gaf hij daaraan? Het helpt om die onderdelen apart te bespreken, zonder te doen alsof we weten wat iedereen dacht.
Bij pesten, bedreiging of andere onveiligheid is alleen oefenen met sociale vaardigheden geen voldoende antwoord. Dan moet ook passende verantwoordelijkheid in de omgeving worden georganiseerd.
